Pausanias Project


Delphi: theater - stadion

De drievoet van Plataea mag gerust gelden – vanuit nationalistisch oogpunt – als een van de belangrijker monumenten in Delphi. Gewijd door de geallieerde Grieken nadat zij de invasie van der Perzen definitief hadden afgeslagen (479 v. Chr.), bestond hij uit een bronzen onderstel van drie om elkaar heen draaiende slangen, waarop een gouden drievoet stond. Volgens Herodotus hadden de Grieken één tiende deel van de buit apart gezet als votiefgave voor Apollo, en hadden ze daarvan het monument gebouwd. Het bronzen onderstel was daarbij gemaakt van omgesmolten Perzische wapens, terwijl ook de gouden drievoet was gemaakt van Perzische wapens. Op het onderstel stond een epigram van Simonides, waarna de namen van de 31 geallieerde Griekse steden werden vermeld.


De drievoet zelf is in 379 voor Chr. door de rebellerende Phokiërs van het onderstel afgehaald en omgesmolten om van het goud huurlingen te kunnen werven in de Heilige Oorlog, maar het onderstuk stond er nog in de tijd van Pausanias. Het zou in 324 na Chr. door keizer Constantijn de Grote naar Constantinopel worden afgevoerd, om daar de paardenbaan te sieren. In die stad stond het onderstel nog tot ongeveer 1700, deels begraven in de grond, terwijl nu nog het onderste stuk bewaard is gebleven plus één van de slangekoppen. Onbekend is hoe precies de drievoet en het onderstel bij elkaar hebben gestaan. Zeker is dat Pausanias’ belangstelling voor het monument nauw samenhangt met zijn “nationalistische” interesse.


Alle getoonde foto’s afkomstig van Wikipedia


Links: twee Perzische miniaturen tonen het onderstel in de hippodroom van Constantinopel -Istanbul.


Boven:mogelijke reconstructie van het geheel

De Aetolische Bond was een confederatie van Aetolische stammen en andere steden in centraal Griekenland, vermoedelijk opgericht om de invloed van Macedonië en de Achaeïsche Bond tegen te gaan. Alhoewel de overige Grieken de Aetoliërs als weinig meer zagen dan barbaren, omvatte de bond op het einde van de 3e eeuw voor Chr. vrijwel heel Griekenland (met uitzondering van Athene. De Aetoliërs gedroegen zich aanvankelijk als trouwe bondgenoten van de Romeinen in hun oorlog tegen Philippus V van Macedonië, maar sloten zich uit ergernis over de Romeinse bemoeienis met Griekenland aan bij de Seleuciden-koning Antiochus III in zijn strijd tegen de Romeinen. Bijgevolg verloor de bond nadat deze was verslagen, veel van zijn macht en werd een marionet van de Romeinse senaat.

          In 273 voor Chr. waren het de troepen van de Aetolische Bond die een hoofdrol speelden in de strijd tegen het enorme Keltische leger dat Griekenland was binnengevallen in een poging Delphi te veroveren. Pausanias, die vele bladzijdes inruimt voor een beschrijving van de strijd van het “verenigde Griekenland” tegen de barbaren, beschrijft de gruwelijke oorlogsmisdaden begaan door deze Kelten, maar noemt ook een overwinningsmonument in Delphi opgericht door de Aetolische Bond, Vrouwe Aetolia, gezeten op een stapel Keltische schilden. Dit monument, alhoewel volledig verloren gegaan, is redelijk te reconstrueren op basis van munten van de Aetolische Bond waar we een monument zien van een vrouw in amazonekledij, met op haar hoofd de typische Aetolische muts (kaunia) die door Alexander de Grote uit het buitenland was meegenomen en tot hit was gemaakt. Opmerkelijk is dat de ene munt een gevleugelde Nikè op haar hand zet, weer een andere munt juist niet. Rechtsonder: Vrouwe Aetolia met haar typerende muts.

         Een tweede monument van de Aetoliërs ter ere van dezelfde overwinning stond dicht naast het grote altaar van Chios, een beeldengroep bestaande uit Artemis, Athene, twee Apollo’s en hun voornaamste generaals. (Paus. 10.15.2)


Overwinningsmonument Aetolische Bond

De invasie van de Kelten in Griekenland, uitvoerig door Pausanias besproken, was in de oudheid haast net zo beroemd als de invasie van de Perzen tweehonderd jaar eerder. Ter ere van de overwinning van de Grieken op de barbaren stelden de Aetoliërs in Delphi  in 278 voor Chr. de Soteria (Bevrijdingsfestival) in, een jaarlijks terugkerend festival waarvoor tientallen steden officieel uitgenodigd werden een bijdrage te leveren.. In veel gevallen zijn ofwel de uitnodiging, ofwel de formele acceptatie bewaard gebleven. Zo kunnen we in een besluit van de stad Kos lezen dat de stad besloot jaarlijks een koe met vergulde horens te leveren als offer voor Apollo Pythios in Delphi, terwijl ze tegelijkertijd op Kos een offerplechtigheid instelden waarbij de complete bevolking geacht werd met kransen getooid een vrije dag te vieren. Uit deze uitnodiging (voor de complete tekst, klik hier) blijkt zonneklaar dat veel details die we bij Pausanias aantreffen, zoals de goddelijke hulp bij de verdediging van het heiligdom, al direct in 278 voor Chr. onderdeel uitmaakten van de Aetolische propaganda. Ook was de invasie duidelijk gericht op Delphi, werden de wapens van de verslagen Kelten opgehangen aan de tempel, terwijl Apollo de overlevenden vrijwel tot de laatste man liet omkomen. Een persoonlijk ingrijpen van Apollo (een epifanie, bovennatuurlijke verschijning) wordt genoemd.

Van de vele monumenten in de noord-oosthoek van de tempel, waar Pausanias o.a. en beeld van de befaamde prostitueé Phryne vermeldt, gemaakt door haar minnaar Praxiteles (15.1), is het misschien wel het opmerkelijkste wat hij zoal niet vermeldt. Afgezien van mogelijk minder belangrijke monumenten als dat van Daochos (zie Delphi-museum) stonden er meerdere protserige monumenten van koningen en veldheren, evenals van een Aetolische dame. Dit laatste monument kan men mogelijk afdoen als onbelangrijk, het monument van Lucius Aemilius Paullus, die een eind maakte aan het koninkrijk Macedonië is dat zeker niet. De best mogelijke verklaring is wel dat Pausanias simpelweg geen zin had om Aemilius Paullus te vermelden, noch de Macedonische veldheer Krateros, daar beide heren nu niet bepaald hadden bijgedragen aan de glorie van de Grieken.


De slag bij Pydna in 168 voor Chr. betekende niet alleen het einde van het koninkrijk van Macedonië, hij markeerde het eind van een periode, de heerschappij van de Macedoniërs en de Macedonische falanx. De Macedoniërs vochten sinds Philippus en Alexander de Grote in formaties gevormd door dicht opeen gepakte soldaten bewapend met enorme lansen van zo’n zes meter lengte. Door de ver uitstekende punten en de uitstekende training van de Macedoniërs was deze formatie buitengewoon sterk wanneer hij frontaal kon vechten. De flanken waren echter tamelijk kwetsbaar, zeker in vergelijking met de veel wendbaarder Romeinse legioenen, onderverdeeld in kleinere manipels. Omdat de Romeinse legionairs beter waren getraind in zwaardvechten dan de Macedoniërs, de Macedonische strijdolifanten hun eigen troepen onder de voet liepen en de Romeinen erin slaagden de falanxen uit elkaar te drijven, waarna ze de flanken konden aanvallen, liep de strijd uit op een slachting. Op het eind van de dag waren meer dan 20.000 Macedoniërs overleden, tegen slechts 1500 Romeinen.

De inscriptie op het monument (βασιλέα Προυσίαν, βασιλέως Προυσία, τὸ κοινὸν τῶν Αἰτωλῶν, ἀρετᾶς ἕνεκεν καὶ εὐεργεσίας τᾶς ἐς αὐτούς, koning Prousias, zoon van koning Prousias, wijdde de Aetolische Bond, vanwege zijn voortreffelijkheid en de weldaden die hij hun bewees) toont dat de geëerde Prousias II was, en dat de Aetolische Bond het monument heeft opgericht..



Kaart links, Klein Azië na de Vrede van Apamea (188 v. Chr.).

Bron: Wikipedia

Munt links: Prousias II. Bron:www.wildwinds.com

Monument voor Prousias II

Koning Prousias II van Bithynië (182-149 v. Chr.) was Prousias II de "koning-bedelaar". Bron: Wikipedia net als zijn vader Prousias I een groot deel van zijn tijd bezig met het tegen elkaar uitspelen van de troonpretendenten van de Seleuciden, evenals met oorlog voeren tegen zijn voornaamste tegenspelers, de koningen van Pergamon. Zijn vader Prousias I is tamelijk succesvol geweest in de diverse conflicten om de macht, door zich op het juiste moment te verbinden met de Romeinen. Prousias II, bijgenaamd “de Jager” verbond zich met Pergamon in de strijd tegen koning Pharnaces I van Pontus en Mithridates van Armenië.  Later (156-154 v. Chr.) viel hij echter Pergamon aan, alleen om te worden verslagen door Eumenes. Gedwongen tot zware herstelbetalingen, werd hij bekend als “koning-bedelaar”, totdat zijn zoon Nicomedes tegen hem in opstand kwam en hem afzette.



Ook weggelaten is een enorm monument ter ere van de Aetolische dame Aristaineta in de noord-oosthoek van de grote tempel. Daar de Aetolische Bond rond 300 voor Chr. De zeggenschap kreeg over het heiligdom en die lange tijd wist vast te houden, weerspiegelt het monument vooral de interesses van de Aetoliërs. Het monument - met een hoogte van 9.70 m. - was gebouwd d.m.v. twee losse Ionische zuilen, waarbovenop een fraai versierd plateau voor een standbeeld(?). Ook in dit geval is selectiviteit van Pausanias de meest waarschijnlijke reden voor het niet bespreken van het monument.

Het Monument van Krateros, generaal en vertrouweling van Alexander de Grote, opgericht als vervulling van een belofte door zijn gelijknamige zoon. Krateros direct achter de tempel van Apollo. Deze liet een beeldengroep ontwerpen van een leeuwenjacht, waarbij Alexander in moeilijkheden kwam en slechts werd gered door de tijdige interventie van Krateros. Waar tegenwoordig alleen nog de enorme nis te zien is waar Krateros zijn daad liet vereeuwigen met op de achterwand de wij-inscriptie (tekst links), is het mogelijk op grond van teksten van Plutarchus en Plinius een idee te krijgen van de groep. De oorspronkelijke beeldengroep is -volgens Plutarchus en Plinius- gemaakt door Lysippos en Leochares, de hofbeeldhouwers van Alexander.


Onder links, een zuilbasis uit Messene (nu in het Louvre) is mogelijk geïnspireerd op de groep en is gebruikt als voorbeeld voor de reconstructie. We zien hoe Alexander (met leeuwenhuid) te voet met opgeheven bijl een leeuw aanvalt, die zijn aandacht net verlegt naar Krateros die te paard aan komt rijden.


Onder rechts, andere geleerden vergelijken (met meer recht, daar de inscriptie stelt dat de leeuw hem “in handen viel”, wat bij een ruiter slecht past, een mozaïek uit Pella.



Het feit dat Pausanias de wijgave van Krateros niet noemt moet haast wel te maken hebben met zijn afkeer van de Macedoniërs, die hij altijd als vreemde overheersers heeft gezien.



Υἱὸς Ἀλεξάνδρου Κράτερος τάδε τὠπόλλων[ι]

         ηὔξατο τιμάεις καὶ πολύδοξος ἀνήρ·

στᾶσε, δ’ ὃν ἐμ μεγάροις ἐτεκνώσατο καὶ λίπε παῖδα,

         πᾶσαν ὑποσχεσίαν πατρὶ τελῶν Κράτερος·

ὄφρα οἱ ἀίδιόν τε καὶ ἁρπαλέον κλέος ἅγρα,

         ὦ ξένε, ταυροφόνου τοῦδε λέοντος ἔχοι·

ὅμ ποτε, Ἀλ[εξάν]δρωι τότε ὅθ’ εἵπετο καὶ συνεπόρθει

         τῶι πολυαιν[ήτωι τ]ῶιδε Ἀσίας βασιλεῖ

ὧδε συνεξαλάπαξε, καὶ εἰς χέρας ἀντίασαντα

         ἔκτανεν οἰονόμων ἐν περάτεσσι Σύρων.


De zoon van Alexandros, Krateros, beloofde dit aan Apollo, een geëerd en roemrijk man; zijn zoon, die hij verwekte in zijn paleis en als kind achterliet, stelde het op,  Krateros, daarmee elke belofte inlossend aan zijn vader, in de hoop dat de jacht op deze stier-dodende leeuw eeuwige en aantrekkelijke roem voor hem moge hebben. Want toen hij ooit Alexander volgde en samen met hem alles verwoestte, met die veelgeprezen koning van Azië, versloeg hij hem mede, en doodde hem, toen hij in zijn handen viel  in het land van de schapenhoudende Syriërs.